Verschillende ski- en snowboard stijlen

Soorten skiën

Skiën kan op vele verschillende manieren gedaan worden. Er zijn drie algemeen geaccepteerde soorten skiën: Alpineskiën, Nordic skiën en het wat minder bekende Telemark skiën. Hier zullen deze drie typen van skiën besproken en uitgelegd worden. Bij elke vorm van skiën zijn er twee lange latten aan schoenen bevestigd. Dit wordt gebruikt om een besneeuwde berg af te komen, meestal op een snelle wijze.

Alpine skiën is het meest bekende soort skiën. Het wordt ook wel bergafwaarts skiën genoemd. Bij deze vorm van skiën is de lat (de ski) zowel aan de teen als aan de hiel van de voet bevestigd. Dit gaat via de skischoenen die zo gevormd zijn dat ze precies op de ski’s passen. Bij deze vorm van skiën zie je ook vaak het gebruik van stokken. Omdat er moeilijk met de schoenen te lopen is zijn er liften die de skiërs omhoog brengen. Alpine skiën is de meest voorkomende soort skiën in ski-resorts.

Alpine skiën is evenement op de Olympische Winterspelen sinds 1936. Ongeveer 55 miljoen mensen wereldwijd deden aan skiën in 1994. De sport is de meest populaire soort van skiën. Met Alpine skiën heb je de keuze om recht naar beneden te gaan, of met bochtjes. Vanzelfsprekend gaat me bochtjes een stuk langzamer dan recht naar beneden. Binnen Alpine skiën heb je twee verschillende technieken: “stemming” en “carving”. Bij “stemming” rem je af met je ski’s door deze in een pizza vorm te houden. Bij “carving” snijdt je met de rand van je ski in de sneeuw.

Onder Nordic skiën valt langlaufen en skispringen. Het wordt gekarakteriseerd doordat alleen de teen van de schoen vast zit aan de ski. Bij langlaufen is het de bedoeling om te lopen op de ski’s. Op deze manier kan je de berg oplopen, waarna je er weer vanaf kan skiën. Ook is dit een mooie manier om het besneeuwde landschap beter te zien. Ski springen heeft ook losse hielen zodat er bij de sprong beter afgezet kan worden. Ski springen mag alleen worden gedaan op de daarvoor aangewezen locaties. Ook een combinatie van langlaufen en ski springen valt onder Nordic skiën.

Deze drie vormen van Nordic skiën worden ook gespeeld op de Olympische Winterspelen. Om deze sporten te kunnen spelen heb je uithoudingsvermogen en kracht nodig. Voor ski springen moet je aerodynamisch zo efficiënt mogelijk zijn. Dit alles kost veel training in een aantal specifieke vaardigheden om goed te kunnen presteren in deze sporten.

Telemark skiën is waarschijnlijk de minst bekende manier van skiën. Net als bij Nordic skiën zit de hiel niet vast aan de ski, alleen de teen. Bij Telemark skiën zorgt dit ervoor dat de skiër zijn of haar hiel op kan tillen door de hele bocht heen. Dit geeft meer controle. Telemark skiën is dus een combinatie van Alpine en Nordic skiën. Het is vernoemd naar de gelijknamige regio in Noorwegen, waar de soort skiën vandaan komt. Sondre Norheim, een Noorse man, was de eerste die een typische Telemarkbocht liet zien in Noorwegen rond 1868.

Telemark skiën is herboren in de Verenigde Staten, in 1971. Dit kwam voornamelijk door het boek Come Ski With Me van Stein Eriksen. Het mooie aan Telemark skiën is vooral de verscheidenheid die je er mee kan doen. Zo kan je bepaalde lappen stof onder je ski vastmaken, waardoor het ook mogelijk is om omhoog te lopen. Daarnaast weegt het minder dan de andere mogelijkheden. Over het algemeen is de Telemark ski een flexibele versie van de Alpineski. Ze hebben gespecialiseerde bindingen om het mogelijk te maken om alleen de teen te bevestigen.

Stijlen van snowboarden

Er zijn enorm veel verschillende stijlen snowboarden. De mees voorkomende stijlen tegenwoordig zijn “freeride”, “freestyle” en “freecarve/race”. Daarnaast heb je nog “jibbing”, “Alpine snowboarden”, “half-pipe” en nog veel meer. Hier zullen de meest voorkomende stijlen besproken worden. Deze stijlen worden voor zowel professioneel als recreatief snowboarden gebruikt.

“Freeriden” is de kunst van vloeiend snowboarden. Het wordt gedaan op natuurlijk, onbewerkt terrein. Er zijn geen regels, doelen of koers. Het is dus, zoals je het ook al vertaald, “vrij rijden”. Deze stijl van snowboarden wordt ook wel off-piste snowboarden genoemd. Om te kunnen “freeriden” moet je meerdere technieken onder de knie hebben. Doordat je je op onbewerkt terrein bevindt moet je “freestyle” en “alpine snowboarden” goed onder de knie hebben. Op deze manier kom je niet in de problemen en kan je optimaal genieten van wat er op je pad komt.

De meeste snowboards op de markt zijn “freeride” snowboards. Dit is omdat deze boards gemaakt zijn voor alle soorten terrein, en je hiermee zowel “Alpine snowboarden” als mee kan “freestylen”. Het board heeft meestal een zachtere neus dan staart en een vorm die de richting aan geeft. Hierdoor kan je er goed bochten mee maken in diepe sneeuw. De schoenen en bindingen zijn meestal steviger dan “freestyle” schoenen en bindingen.

“Freestyle” is het typische trucjes doen met snowboards. Elke vorm van snowboarden waarbij trucjes worden gedaan valt onder deze stijl. Vaak worden hier rails of half-pipes bij gebruikt. Vrijwel altijd zijn deze objecten door mensen gemaakt. “Freestyle” boarden is erg populair bij jongeren. Het laat de creatieve aspecten van het snowboarden naar voren komen, meer dan bij een stijl zoals “Alpine snowboarden”.

Bij “Alpine snowboarden” ga je van geprepareerde (bewerkte) pistes af. Het is een Olympische sport sinds 1998. Het wordt ook weleens “freecarven” genoemd. De sneeuw moet hard samengedrukt zijn voor deze stijl. Deze vorm van snowboarden lijkt dan ook het meest op surfen of long boarden. Bij deze stijl wordt over het algemeen niet gesprongen.

Bij deze vorm van snowboarden sta je, in tegenstelling tot normaal snowboarden, met beide voeten naar voren. Hierbij heb je ook hardere schoenen aan. De boards hebben een scherpere rand dan normale boards, zodat het carven wordt vergemakkelijkt. De borden zijn dunner, langer en steviger dan freestyle boards. De bindingen hebben een instap ontwerp en zijn soms geplaatst op een suspensie vorm om een laagje te vormen tussen de snowboarder en het board.